Vanavond om 20u15 in Dommelhof Neerpelt 'Jagten'
Met: Mads Mikkelsen, Thomas Bo Larsen, Annika Wedderkopp, e.a
Vinterberg maakt een comeback in stijl met zijn nieuwe film, ongetwijfeld zijn beste sinds Festen, en herinnert ons aan zijn excellente gave om collectieve hysterie te verbeelden: het resultaat is direct, heftig, gecomponeerd en geregisseerd met vinnigheid en kracht, maar tegelijk toch subtiel en genuanceerd." (Bron: The Guardian)
De in Cannes aanwezige filmpers was unaniem in haar oordeel: met Jagten is Thomas Vinterberg, de regisseur die in 1998 op hetzelfde festival met Festen de Dogma 95 beweging op de kaart zette, weer helemaal terug.
Jagten gaat over Lucas, een pas gescheiden kleuterleider, die zijn leven opnieuw op de rails probeert te duwen. Net op het moment dat hij daarin lijkt te slagen, wordt hij door een vijfjarige kleuter onterecht beschuldigd van kindermisbruik.
Vinterberg onderzoekt hoe deze gebeurtenis de minzame inwoners van een Deens dorpje net voor Kerstmis tot een ongenuanceerde heksenjacht kan drijven. (Bron: Filmfestival Gent)
Thomas Vinterberg, 2012, Denemarken, 111’
.
dinsdag 26 maart 2013
dinsdag 19 maart 2013
Sprinters
De kunst van het verdwijnen / Laura Lippman
De coupeuse / Posie Graeme-Evans
De toeschouwer / Charlotte Link
Ik vergeet je niet / Yrsa Sigurdardottir
De coupeuse / Posie Graeme-Evans
De toeschouwer / Charlotte Link
Ik vergeet je niet / Yrsa Sigurdardottir
Zebracinema
Vanavond om 20u15 in Dommelhof Neerpelt 'Amour'
Met: Emmanuelle Riva, Jean-Louis Trintignant, Isabelle Huppert e.a.
"Amper drie jaar na zijn triomf met Das Weisse Band won Michael Haneke met Amour opnieuw de Gouden Palm in Cannes. Terecht: mooiere en relevantere cinema over de liefde en de onverbiddelijke dood bestaat niet." (Bron: Ward Verrijcken, Cobra)
Nooit eerder kwam Michael Haneke zo direct en humaan uit de hoek als met Amour, een liefdesdrama over een ouder wordend echtpaar. Leven met de dood in het hart en liefde in de ziel. Dat is wat de tachtigers Georges en Anne in Amour doen wanneer ziekte en aftakeling de kop opsteken. Haneke sloopt andermaal een taboe en daagt twee reuzen van de Franse auteurscinema, Jean-Louis Trintignant en Emmanuelle Riva, uit om te werken met hun eigen fysieke fragiliteit en sterfelijkheid. Op een subtiele en onsentimentele manier kiest de regisseur deze keer wel voor emoties en laat daarbij eenvoud primeren.
(Bron: Ivo De Kock, Filmmagie)
Met: Emmanuelle Riva, Jean-Louis Trintignant, Isabelle Huppert e.a.
"Amper drie jaar na zijn triomf met Das Weisse Band won Michael Haneke met Amour opnieuw de Gouden Palm in Cannes. Terecht: mooiere en relevantere cinema over de liefde en de onverbiddelijke dood bestaat niet." (Bron: Ward Verrijcken, Cobra)
Nooit eerder kwam Michael Haneke zo direct en humaan uit de hoek als met Amour, een liefdesdrama over een ouder wordend echtpaar. Leven met de dood in het hart en liefde in de ziel. Dat is wat de tachtigers Georges en Anne in Amour doen wanneer ziekte en aftakeling de kop opsteken. Haneke sloopt andermaal een taboe en daagt twee reuzen van de Franse auteurscinema, Jean-Louis Trintignant en Emmanuelle Riva, uit om te werken met hun eigen fysieke fragiliteit en sterfelijkheid. Op een subtiele en onsentimentele manier kiest de regisseur deze keer wel voor emoties en laat daarbij eenvoud primeren.
(Bron: Ivo De Kock, Filmmagie)
vrijdag 15 maart 2013
Vraag 9
Hoeveel levens heeft Loewie geleefd?
Antwoord 9
Nu kan je al de antwoorden doormailen naar overpelt@bibliotheek.be en maak kans op een leuke prijs.
Vermeld je naam, adres en leeftijd in je mailtje.
Succes?
Antwoord 9
Nu kan je al de antwoorden doormailen naar overpelt@bibliotheek.be en maak kans op een leuke prijs.
Vermeld je naam, adres en leeftijd in je mailtje.
Succes?
Einde van het vervolgverhaal
9. TERUG IN DE BIB
Daar stond hij. Naast Janne. In het boekenkamertje van de bib. Met zijn gewone kleren aan. Hoelang was hij weggeweest? Het leek wel meer dan honderd jaar.
Zeven levens had hij geleefd. Hij voelde aan de amulet, die was er nog. Maar de steen lichtte niet meer op.
‘Janne, wat is er precies gebeurd? Hoe lang ben ik weggeweest?’
‘Je bent helemaal niet weggeweest,’ antwoordde Janne verwonderd. ‘Je was hier de hele tijd. Maar je was zo verdiept in het verhaal. Het was alsof je van de aardbodem verdwenen was. Alleen wanneer je aan je amulet draaide en mij een vraag stelde, luisterde je even naar wat ik te vertellen had. Gelukkig vond ik de juiste boeken waarin ik het juiste antwoord kon terugvinden. Was het eng?’
Loewie knikte: ‘Soms wel. Maar het was ook het spannendste dat ik ooit heb meegemaakt. Ik kon mijn angst in het donker overwinnen en heb gedwaald door het bos van de holenbeer, ik werd bijna levend begraven in een piramide, maar vond mijn weg terug in het doolhof. Een reus met één oog wilde in mijn billen happen, maar we waren hem te slim af. Ik heb een drakenkop voor een vikingschip gemaakt, heb geroofd en geplunderd, maar ik heb niemand gedood. Ik was bijna getrouwd met een meisje van vijf, en dat vond ik maar niks. Ik weet wat het ei van Columbus is en heb ook nog een raadsel opgelost en echte Indianen gezien. En ik heb grote honger gehad. Nu trouwens nog steeds…’ Hij wreef over zijn rommelende buik.’
‘Je hebt je dit allemaal ingebeeld,’ zei Janne die vond dat haar broertje wel erg overdreef.
Loewie bekeek zichzelf in de spiegel en zag het blauwe oog.
‘En dit dan?’ vroeg hij. ‘Dit blauwe oog heb ik te danken aan de zoon van Christoffel Columbus die me niet wilde geloven.’
‘Ach, jij! Jij hebt om de haverklap een blauw oog. Je zult vanmorgen wel weer tegen een kast zijn aangelopen of gisteren een voetbal tegen je oog hebben gekregen.’
‘Mijn billen zijn ook blauw, van de vlegel op mijn achterste. Wil je het zien?’
Janne schudde haar hoofd. ‘Ik heb geen interesse in de kleur van je achterwerk. Hou jij je broek maar aan.’ ‘Waarom geloof je me niet? Ik heb werkelijk een reis doorheen de tijd gemaakt,’ sputterde hij.
Al kibbelend verlieten ze het kamertje. Loewie zag op de klok dat ze precies een uur in het kamertje waren gebleven. Het was net alsof hij had gedroomd. Levensechte dromen. Waar tijd niet bestond. Of nee, waar tijd anders was.Hij had op een uur zoveel geleerd en zoveel werelden ontdekt!
Opa stond op een laddertje en versierde de bib met vlaggetjes waarop ‘Jeugdboekenweek’ stond.
Opa keek op en knipoogde naar zijn kleinzoon.
‘Je bent terug zie ik. Hoe was het daar?’
‘Veel oude en vergeten boeken,’ antwoordde Janne. ‘En Loewie die er met zijn neus in stak.’
Opa keek Loewie onderzoekend aan. ‘Het was heel spannend, opa,’ sprak Loewie. ‘Ik ben in andere werelden terecht gekomen. Ik heb een reis door de tijd gemaakt. Maar Janne gelooft mij niet.’
Opa grinnikte. ‘Ik geloof je wel Loewie. Ik heb het lang geleden ook meegemaakt. Sommige boeken lijken eeuwig te bestaan.’
‘Hebt u ook het boek met de amulet gelezen, opa?’ vroeg Loewie ongelovig.
Opa knikte: ‘Ik weet niet of het hetzelfde boek was. Maar ik weet wel dat ik van de wereld verdween als ik in een boek verzeild geraakte. Een verhaal is een verhaal. Vertellen, tekenen, schrijven en lezen. Het zijn allemaal deurtjes naar een andere wereld waar je even in kunt verblijven, maar waar je gelukkig ook veilig uit weg kunt geraken.’
Janne keek van opa naar haar broer en vroeg: ‘Loewie, wat was het leukste dat je hebt gelezen?’
Loewie moest niet lang nadenken. ‘Je zult het misschien vreemd vinden, maar mijn verblijf in het arme huis vond ik het leukste. Ik heb daar een filmpje uitgevonden en ik wist opeens hoe je een boek kon maken. Ik ontdekte hoe leuk het was om verhalen te vertellen! Mijn broertjes en zusjes werden er blij van.’
‘En weet je ook hoe het verhaal verder ging?’ vroeg opa die van het laddertje kwam.
Loewie knikte: ‘Ik wilde heel veel boeken maken. Zoveel dat ik ze kon uitlenen aan alle kinderen in de straat die geen geld hadden om boeken te kopen. Ik zou ze leren lezen en hen op die manier gelukkig maken.‘
‘En wat was het engste?’ wilde Janne weten. Loewie twijfelde en moest er over nadenken.‘Een dier doden vond ik vreselijk, net als het plunderen bij de Vikingen.
Trouwen met een vijfjarige snotneus vond ik ook maar niets. Maar dankzij het antwoord van Janne kon ik naar het klooster. En daar zijn heel veel boeken,’ glunderde hij.
Opa zette zich aan de balie en nam de boeken aan die kinderen terugbrachten. ‘Ik heb de weddenschap verloren Loewie. Vanavond gaan we naar de biscoop.’
Loewie klapte in zijn handen, ging even op zijn handen staan, verloor zijn evenwicht en kwam op zijn pijnlijke blauwe billen terecht.
‘Ik mag de film uitkiezen hé opa? Ze spelen ‘Het oneindige verhaal’. En morgen kom ik terug naar hier. Ik wil een spannend boek uitkiezen en misschien maak ik er thuis wel tekeningen bij.
Die middag wist Loewie wat hij moest doen. Hij maakte een tekenfilmpje over een ridder van niks die een klap van een vlegel kreeg.
Einde
Daar stond hij. Naast Janne. In het boekenkamertje van de bib. Met zijn gewone kleren aan. Hoelang was hij weggeweest? Het leek wel meer dan honderd jaar.
Zeven levens had hij geleefd. Hij voelde aan de amulet, die was er nog. Maar de steen lichtte niet meer op.
‘Janne, wat is er precies gebeurd? Hoe lang ben ik weggeweest?’
‘Je bent helemaal niet weggeweest,’ antwoordde Janne verwonderd. ‘Je was hier de hele tijd. Maar je was zo verdiept in het verhaal. Het was alsof je van de aardbodem verdwenen was. Alleen wanneer je aan je amulet draaide en mij een vraag stelde, luisterde je even naar wat ik te vertellen had. Gelukkig vond ik de juiste boeken waarin ik het juiste antwoord kon terugvinden. Was het eng?’
Loewie knikte: ‘Soms wel. Maar het was ook het spannendste dat ik ooit heb meegemaakt. Ik kon mijn angst in het donker overwinnen en heb gedwaald door het bos van de holenbeer, ik werd bijna levend begraven in een piramide, maar vond mijn weg terug in het doolhof. Een reus met één oog wilde in mijn billen happen, maar we waren hem te slim af. Ik heb een drakenkop voor een vikingschip gemaakt, heb geroofd en geplunderd, maar ik heb niemand gedood. Ik was bijna getrouwd met een meisje van vijf, en dat vond ik maar niks. Ik weet wat het ei van Columbus is en heb ook nog een raadsel opgelost en echte Indianen gezien. En ik heb grote honger gehad. Nu trouwens nog steeds…’ Hij wreef over zijn rommelende buik.’
‘Je hebt je dit allemaal ingebeeld,’ zei Janne die vond dat haar broertje wel erg overdreef.
Loewie bekeek zichzelf in de spiegel en zag het blauwe oog.
‘En dit dan?’ vroeg hij. ‘Dit blauwe oog heb ik te danken aan de zoon van Christoffel Columbus die me niet wilde geloven.’
‘Ach, jij! Jij hebt om de haverklap een blauw oog. Je zult vanmorgen wel weer tegen een kast zijn aangelopen of gisteren een voetbal tegen je oog hebben gekregen.’
‘Mijn billen zijn ook blauw, van de vlegel op mijn achterste. Wil je het zien?’
Janne schudde haar hoofd. ‘Ik heb geen interesse in de kleur van je achterwerk. Hou jij je broek maar aan.’ ‘Waarom geloof je me niet? Ik heb werkelijk een reis doorheen de tijd gemaakt,’ sputterde hij.
Al kibbelend verlieten ze het kamertje. Loewie zag op de klok dat ze precies een uur in het kamertje waren gebleven. Het was net alsof hij had gedroomd. Levensechte dromen. Waar tijd niet bestond. Of nee, waar tijd anders was.Hij had op een uur zoveel geleerd en zoveel werelden ontdekt!
Opa stond op een laddertje en versierde de bib met vlaggetjes waarop ‘Jeugdboekenweek’ stond.
Opa keek op en knipoogde naar zijn kleinzoon.
‘Je bent terug zie ik. Hoe was het daar?’
‘Veel oude en vergeten boeken,’ antwoordde Janne. ‘En Loewie die er met zijn neus in stak.’
Opa keek Loewie onderzoekend aan. ‘Het was heel spannend, opa,’ sprak Loewie. ‘Ik ben in andere werelden terecht gekomen. Ik heb een reis door de tijd gemaakt. Maar Janne gelooft mij niet.’
Opa grinnikte. ‘Ik geloof je wel Loewie. Ik heb het lang geleden ook meegemaakt. Sommige boeken lijken eeuwig te bestaan.’
‘Hebt u ook het boek met de amulet gelezen, opa?’ vroeg Loewie ongelovig.
Opa knikte: ‘Ik weet niet of het hetzelfde boek was. Maar ik weet wel dat ik van de wereld verdween als ik in een boek verzeild geraakte. Een verhaal is een verhaal. Vertellen, tekenen, schrijven en lezen. Het zijn allemaal deurtjes naar een andere wereld waar je even in kunt verblijven, maar waar je gelukkig ook veilig uit weg kunt geraken.’
Janne keek van opa naar haar broer en vroeg: ‘Loewie, wat was het leukste dat je hebt gelezen?’
Loewie moest niet lang nadenken. ‘Je zult het misschien vreemd vinden, maar mijn verblijf in het arme huis vond ik het leukste. Ik heb daar een filmpje uitgevonden en ik wist opeens hoe je een boek kon maken. Ik ontdekte hoe leuk het was om verhalen te vertellen! Mijn broertjes en zusjes werden er blij van.’
‘En weet je ook hoe het verhaal verder ging?’ vroeg opa die van het laddertje kwam.
Loewie knikte: ‘Ik wilde heel veel boeken maken. Zoveel dat ik ze kon uitlenen aan alle kinderen in de straat die geen geld hadden om boeken te kopen. Ik zou ze leren lezen en hen op die manier gelukkig maken.‘
‘En wat was het engste?’ wilde Janne weten. Loewie twijfelde en moest er over nadenken.‘Een dier doden vond ik vreselijk, net als het plunderen bij de Vikingen.
Trouwen met een vijfjarige snotneus vond ik ook maar niets. Maar dankzij het antwoord van Janne kon ik naar het klooster. En daar zijn heel veel boeken,’ glunderde hij.
Opa zette zich aan de balie en nam de boeken aan die kinderen terugbrachten. ‘Ik heb de weddenschap verloren Loewie. Vanavond gaan we naar de biscoop.’
Loewie klapte in zijn handen, ging even op zijn handen staan, verloor zijn evenwicht en kwam op zijn pijnlijke blauwe billen terecht.
‘Ik mag de film uitkiezen hé opa? Ze spelen ‘Het oneindige verhaal’. En morgen kom ik terug naar hier. Ik wil een spannend boek uitkiezen en misschien maak ik er thuis wel tekeningen bij.
Die middag wist Loewie wat hij moest doen. Hij maakte een tekenfilmpje over een ridder van niks die een klap van een vlegel kreeg.
Einde
woensdag 13 maart 2013
Vraag 8 van de wedstrijd
Loewie en zijn broer Dries zijn 'kostwinners'. Wat betekent dit?
Antwoord 8
Antwoord 8
Deel 8 van het vervolgverhaal
8. LOUIS EN HET GEHEIM VAN DE FILM
Loewie wreef over zijn oog. Dat was raak! De huid rond zijn oog tintelde. Straks zou het blauw kleuren, wist hij. Hij keek om zich heen. Jeetje, waar was hij nu terecht gekomen? Een vrouw met rode haren stond gebogen over een wastobbe. Tegen het raam was papier vastgekleefd. Er brandde een klein vuur in een potkacheltje, maar het gaf nauwelijks warmte. Op de vloer speelden vier kinderen tussen drie en zeven jaar met enkele steentjes en lapjes stof. Ze droegen kleren die tot op de draad waren versleten. In een mand lag een baby. Was hij de oudste van dit gezin? In de alkoof, een klein vertrekje, tegen de muur lag een bleke jongen. Hij hoestte en zijn magere schouders schokten onder het veel te dunne dekentje dat gaten vertoonde. ‘Louis, hoe kom je aan dat blauwe oog? Heb je weer gevochten?’
vroeg de vrouw aan de tobbe. Louis haalde zijn schouders op. De waarheid was het beste antwoord, vermoedde hij. ‘Ik kon er niets aan doen...eh, moeder. Een andere jongen sloeg me, zonder reden.’
‘Daar geloof ik niets van,’ antwoordde zijn moeder nors. ‘Er is altijd een reden. Heb je misschien iets doms gezegd?’
‘Ik heb alleen de waarheid gezegd, moeder.’
‘Jij moet je mond houden, zoon. Ik wil niet dat jij je werk verliest in de fabriek. Jij en Dries zijn sinds vaders dood mijn enige kostwinners.
Nu Dries ziek is geworden, heb ik nauwelijks genoeg om brood te kopen. Ik wil dat Jules ook in de fabriek begint te werken en daar moet jij voor zorgen.’
Toen de kinderen het woord brood hoorden, begonnen ze te jengelen. ‘We hebben honger!’
‘Louis, doe me een plezier, ga even met de kinderen naar buiten, zodat Dries wat kan slapen!’
Loewie nam zijn twee broertjes en zusjes bij de hand en verliet het kleine huis. Het stond vlakbij de grote aardewerkfabriek waar hij zes dagen per week moest werken van 7u ’s morgens tot 7u ’s avonds. Met een fijn penseel moest hij op ieder bord en kopje, aan een hoog tempo, lijntjes en krulletjes schilderen. Soms wilde hij leuke tekeningen maken, maar dat mocht niet. Het was niet eerlijk. Kinderen van rijke mensen mochten naar school gaan. Ze kregen echte boeken, met leuke plaatjes in. Ze mochten lezen in plaats van werken. Moest hij een echt boek hebben, zou hij aan de kleintjes kunnen voorlezen. Zo konden ze even ontsnappen uit hun armoedige leventje. Loewie zuchtte. Hij was de enige in huis die kon lezen. Zijn moeder had het nooit geleerd. Het enige leesbare in het huis, waren de stukken oud krantenpapier tegen de kapotte ruiten. Hij wilde hier weg, maar niet zonder eerst iets te doen aan de bedrukte gezichtjes van zijn jongere broertjes en zusjes.
Ze kwamen in de hoofdstraat en de kinderen holden naar de kiosk, waar sinds kort stomme films werden gedraaid. In de vitrine hingen plaatjes over een maangezicht waarop in het oog een raket was terechtgekomen. ‘Louis, wij willen zo graag een film zien!’ zeurden ze. Loewie graaide in de zak van zijn versleten vestje. Niets. Jules bromde: ‘Films is alleen voor rijke mensen, niet voor ons.’
Dit kan niet, dacht Loewie. Ik moet iets verzinnen om op deze regenachtige novemberzondag de kinderen wat plezier te bezorgen. Janne moet me helpen. Hij draaide aan de amulet en vertelde aan Janne over de wereld waarin hij was aanbeland. Janne moest op zoek naar een ander boek in de bib. Eindelijk klonk haar antwoord. ‘Loewie, ik weet hoe je de kinderen een filmpje kunt laten zien… en een boekje! Hij luisterde aandachtig naar haar aanwijzingen.
Zijn lege maag rammelde, maar Loewie zocht het kleine huis af op zoek naar papier en potlood.
Gelukkig lagen er nog enkele vellen bruin papier dat moeder gebruikte om het gebarsten vensterglas mee af te plakken. In de keukenlade lag een stompje huishoudpotlood. Met het keukenmes sleep hij een scherpe punt. Vervolgens knipte hij het papier in kleine rechthoekjes van 5 op 10 cm en legde ze op elkaar totdat het leek op een klein boekje.
En nu begon het leuke werk. Loewie wist dat hij goed kon tekenen. Op het eerste blaadje tekende hij een hol waarin een beertje sliep met daarvoor enkele bloemen in het gras. De maan stond er pal boven. Op het tweede papiertje tekende hij hetzelfde hol met hetzelfde beertje, met een oogje open en het maantje dat al iets meer naar links schoof. Op de volgende plaatjes kwamen er steeds kleine verschillen bij. ‘Louis, jij tekent bijna altijd hetzelfde,’ zeurde de zesjarige Truus.
‘Wacht maar af, straks zal alles tot leven komen.’ zei Loewie. Na een uur had hij ongeveer dertig kleine plaatjes getekend. ‘Goed kijken, nu komt het filmpje!’ De kinderen vochten om een plaatsje vlak naast hem. Loewie hield het boekje in zijn linkerhand. ‘Let goed op, want het is zo voorbij!’
Met zijn rechterhand liet hij de blaadjes wapperen, zoals je met een spel kaarten doet voor het schudden. De kinderen zagen hoe het beertje wakker werd, even geeuwde en toen rechtop ging staan. Het maantje verdween en de zon kwam op. De bloemetjes openden langzaam hun blaadjes. Hij vertelde daarbij over het kleine beertje. ‘Ohh, Louis! Zo mooi! Is dit een film?’ riep Jules.
‘Jij kunt toveren!’ fluisterde Truus. ‘Ik wil iedere dag leuke plaatjes zien!’
‘En ik wil iedere dag verhalen,’ zei Jules, ‘Louis kan ze uit zijn duim zuigen.’
‘Nu is Dries aan de beurt!’ sprak Loewie. Zijn zieke broertje kreeg rode wangen toen Loewie keer op keer zijn tekenfilmpje toonde. ‘Je film is ook een boekje!’ riep Dries vrolijk.
‘Ja,’ zei Loewie, ‘en misschien is ieder boek en ieder verhaal ook een beetje een film.’
Die avond vertelde hij voor het slapen gaan verder over het beertje. De kinderen konden er niet genoeg van krijgen. En Loewie besloot om de volgende dag een echt boekje te schrijven met getekende prentjes. Misschien kon hij wel een vervolgverhaal maken? En daarna nog een boekje maken. En nog een… Tot het huis vol was met boeken voor iedereen. En later kon hij schrijver worden en zelf zijn prenten maken. Dan mocht iedereen naar zijn huis komen om de boeken te lenen en te lezen. Misschien kon hij wel…Loewie kon niet verder denken: het amulet lichtte op.
Loewie wreef over zijn oog. Dat was raak! De huid rond zijn oog tintelde. Straks zou het blauw kleuren, wist hij. Hij keek om zich heen. Jeetje, waar was hij nu terecht gekomen? Een vrouw met rode haren stond gebogen over een wastobbe. Tegen het raam was papier vastgekleefd. Er brandde een klein vuur in een potkacheltje, maar het gaf nauwelijks warmte. Op de vloer speelden vier kinderen tussen drie en zeven jaar met enkele steentjes en lapjes stof. Ze droegen kleren die tot op de draad waren versleten. In een mand lag een baby. Was hij de oudste van dit gezin? In de alkoof, een klein vertrekje, tegen de muur lag een bleke jongen. Hij hoestte en zijn magere schouders schokten onder het veel te dunne dekentje dat gaten vertoonde. ‘Louis, hoe kom je aan dat blauwe oog? Heb je weer gevochten?’
vroeg de vrouw aan de tobbe. Louis haalde zijn schouders op. De waarheid was het beste antwoord, vermoedde hij. ‘Ik kon er niets aan doen...eh, moeder. Een andere jongen sloeg me, zonder reden.’
‘Daar geloof ik niets van,’ antwoordde zijn moeder nors. ‘Er is altijd een reden. Heb je misschien iets doms gezegd?’
‘Ik heb alleen de waarheid gezegd, moeder.’
‘Jij moet je mond houden, zoon. Ik wil niet dat jij je werk verliest in de fabriek. Jij en Dries zijn sinds vaders dood mijn enige kostwinners.
Nu Dries ziek is geworden, heb ik nauwelijks genoeg om brood te kopen. Ik wil dat Jules ook in de fabriek begint te werken en daar moet jij voor zorgen.’
Toen de kinderen het woord brood hoorden, begonnen ze te jengelen. ‘We hebben honger!’
‘Louis, doe me een plezier, ga even met de kinderen naar buiten, zodat Dries wat kan slapen!’
Loewie nam zijn twee broertjes en zusjes bij de hand en verliet het kleine huis. Het stond vlakbij de grote aardewerkfabriek waar hij zes dagen per week moest werken van 7u ’s morgens tot 7u ’s avonds. Met een fijn penseel moest hij op ieder bord en kopje, aan een hoog tempo, lijntjes en krulletjes schilderen. Soms wilde hij leuke tekeningen maken, maar dat mocht niet. Het was niet eerlijk. Kinderen van rijke mensen mochten naar school gaan. Ze kregen echte boeken, met leuke plaatjes in. Ze mochten lezen in plaats van werken. Moest hij een echt boek hebben, zou hij aan de kleintjes kunnen voorlezen. Zo konden ze even ontsnappen uit hun armoedige leventje. Loewie zuchtte. Hij was de enige in huis die kon lezen. Zijn moeder had het nooit geleerd. Het enige leesbare in het huis, waren de stukken oud krantenpapier tegen de kapotte ruiten. Hij wilde hier weg, maar niet zonder eerst iets te doen aan de bedrukte gezichtjes van zijn jongere broertjes en zusjes.
Ze kwamen in de hoofdstraat en de kinderen holden naar de kiosk, waar sinds kort stomme films werden gedraaid. In de vitrine hingen plaatjes over een maangezicht waarop in het oog een raket was terechtgekomen. ‘Louis, wij willen zo graag een film zien!’ zeurden ze. Loewie graaide in de zak van zijn versleten vestje. Niets. Jules bromde: ‘Films is alleen voor rijke mensen, niet voor ons.’
Dit kan niet, dacht Loewie. Ik moet iets verzinnen om op deze regenachtige novemberzondag de kinderen wat plezier te bezorgen. Janne moet me helpen. Hij draaide aan de amulet en vertelde aan Janne over de wereld waarin hij was aanbeland. Janne moest op zoek naar een ander boek in de bib. Eindelijk klonk haar antwoord. ‘Loewie, ik weet hoe je de kinderen een filmpje kunt laten zien… en een boekje! Hij luisterde aandachtig naar haar aanwijzingen.
Zijn lege maag rammelde, maar Loewie zocht het kleine huis af op zoek naar papier en potlood.
Gelukkig lagen er nog enkele vellen bruin papier dat moeder gebruikte om het gebarsten vensterglas mee af te plakken. In de keukenlade lag een stompje huishoudpotlood. Met het keukenmes sleep hij een scherpe punt. Vervolgens knipte hij het papier in kleine rechthoekjes van 5 op 10 cm en legde ze op elkaar totdat het leek op een klein boekje.
En nu begon het leuke werk. Loewie wist dat hij goed kon tekenen. Op het eerste blaadje tekende hij een hol waarin een beertje sliep met daarvoor enkele bloemen in het gras. De maan stond er pal boven. Op het tweede papiertje tekende hij hetzelfde hol met hetzelfde beertje, met een oogje open en het maantje dat al iets meer naar links schoof. Op de volgende plaatjes kwamen er steeds kleine verschillen bij. ‘Louis, jij tekent bijna altijd hetzelfde,’ zeurde de zesjarige Truus.
‘Wacht maar af, straks zal alles tot leven komen.’ zei Loewie. Na een uur had hij ongeveer dertig kleine plaatjes getekend. ‘Goed kijken, nu komt het filmpje!’ De kinderen vochten om een plaatsje vlak naast hem. Loewie hield het boekje in zijn linkerhand. ‘Let goed op, want het is zo voorbij!’
Met zijn rechterhand liet hij de blaadjes wapperen, zoals je met een spel kaarten doet voor het schudden. De kinderen zagen hoe het beertje wakker werd, even geeuwde en toen rechtop ging staan. Het maantje verdween en de zon kwam op. De bloemetjes openden langzaam hun blaadjes. Hij vertelde daarbij over het kleine beertje. ‘Ohh, Louis! Zo mooi! Is dit een film?’ riep Jules.
‘Jij kunt toveren!’ fluisterde Truus. ‘Ik wil iedere dag leuke plaatjes zien!’
‘En ik wil iedere dag verhalen,’ zei Jules, ‘Louis kan ze uit zijn duim zuigen.’
‘Nu is Dries aan de beurt!’ sprak Loewie. Zijn zieke broertje kreeg rode wangen toen Loewie keer op keer zijn tekenfilmpje toonde. ‘Je film is ook een boekje!’ riep Dries vrolijk.
‘Ja,’ zei Loewie, ‘en misschien is ieder boek en ieder verhaal ook een beetje een film.’
Die avond vertelde hij voor het slapen gaan verder over het beertje. De kinderen konden er niet genoeg van krijgen. En Loewie besloot om de volgende dag een echt boekje te schrijven met getekende prentjes. Misschien kon hij wel een vervolgverhaal maken? En daarna nog een boekje maken. En nog een… Tot het huis vol was met boeken voor iedereen. En later kon hij schrijver worden en zelf zijn prenten maken. Dan mocht iedereen naar zijn huis komen om de boeken te lenen en te lezen. Misschien kon hij wel…Loewie kon niet verder denken: het amulet lichtte op.
Abonneren op:
Posts (Atom)